september

Is een schoolkind, dat boom, roos en ik schrijft in een mooi, leeg schrift met een nieuwe pen terwijl een uitgeruste juf met een gebruinde huid, gekleed in de nieuwste herfstmode over hem of haar waakt.

September is de tijd van de appels en de peren die met een plofje kapot vallen in het gras, en van afrikaantjes die bittere geuren mee doen waaien op de eerste herfstwind, en de tijd van de laatste roos, die in de rozenborder uitdagend staat te bloeien als David Schoonheid tegen Goliath Wind, terwijl de laatste wespen in een limonadeval sterven, de oorwurmen wegkruipen in de oksels van de aubergine en de gieter een dik halfjaar kan gaan slapen.

September is een oudere vrouw, die haar boeken heeft gelezen en nu begint met herlezen, een vrouw die haar zomers begint te tellen en meer zomers geteld heeft dan dat ze er nog bij kan tellen. Die vrouw sluit in september de deuren van de serre en kijkt naar haar stille huis, waar de dingen zonder kinderen maar staan te staan, en dan kiest ze voor Turkije of Marrakech want de dood kan altijd nog.

September gaat van buiten naar binnen. Het is je weer bewust worden van je kwaaltjes en je oude verdriet tegenkomen in de plooien van je geheugen. Het is de maand van de volle wachtkamers, de angsten die hun kans weer ruiken en de pillen, die spartelen in hun benauwende verpakking.

September is de maand van de optimisten tegen beter weten in, die praten over mooie dagen, die je kunt hebben in september, en de maand van de thuiskomers, die hun caravans in de stalling zetten, hun kamerplanten en hun mannen vervangen, hun gordijnen weer sluiten en de kachel aansteken met de ansichtkaarten uit alle windstreken en zich voor de televisie volproppen met voortijdige overbodige pepernoten, terwijl de Sint nog ongeveer 90 dagen op zich laat wachten.

Kam in kontzak tbv kort kapsel

Waar is de tijd gebleven dat een echte man een kammetje in zijn achterzak had? Ik zie het nog voor me: dat gebaar van een man die zijn hoofd schuin houdt, en dan zijn korte haren kamt. Hoe dat kammetje uit de achterzak werd getoverd, door de haren vloog, en weer in de kontzak van de man verdween. Mooi!  Hoe die man daarna met zijn handen voelde of zijn haren goed zaten. Een Nederlandse man keek bij die actie niet in de spiegel, want dat deden Nederlandse mannen toen nog niet, maar hij keek met zijn hánden in een uiterst teder gebaar tegenover zijn eigen haardos. Lang niet gezien, een man met een kammetje in zijn achterzak. Waar zijn ze toch gebleven?  Zouden ze tot as zijn vergaan? Die mannen, met kammen en al. Misschien wordt het weer eens tijd voor een revival van het kammetje in de kontzak, nu korte kapsels weer helemaal hip(ster) zijn…………

Uit Nadja’s dagboek: een Russische vertelling

Iedereen wilde altijd seks met mij, en ik zat er maar mee. Toen ik veertien was, begon het gesodemieter al. Ik stond nog maagdelijk tegenover mijn lichaam, maar de trojka Jascha, Vladimir en Pavel, drie jongens uit onze klas, was al een stapje verder. De puisterige kereltjes, die zich vooral bezig hielden met voetbal en het gluren naar meisjes, rolden vechtend over het schoolplein. Met mij als inzet. Vladimir won, maar hij stonk zo verschrikkelijk uit zijn mond dat ik de verkering uitmaakte, nog voor ze begonnen was. Toen ik naar huis liep, begon er iets te knagen. Misschien kregen alle jongens nu wel genoeg van mij en verpestte ik mijn kansen? Dat wilde ik ook niet. Na een onrustige nacht werd ik, zwetend als een zieke barzoi, wakker, maar ik moest weer naar school. Toen ik van huis ging, sprong plots een onbekende kerel achter de Oeral eik vandaan, en hij achtervolgde me. Door hardop Poesjkin te citeren, verjoeg ik de onverlaat: met de handen tegen zijn oren gedrukt,  vluchtte de drommel de toendra in.

Enkele dagen later – ik was amper van de schrik bekomen – klom buurman Alexej in een dronken bui onze beste pruimenboom in. Die ene waar Oma heerlijke slibovitsj van maakt. De sukkel probeerde in mijn meisjeskamer naar binnen te kijken, maar mijn broer, kozak Volodya, stapte op hem af en schreeuwde de oekaze “Oprotten”. Bang voor Volodya en zijn Kalashnikov, wist de zatte gek niet hoe snel hij uit de boom moest vallen. Nog dagenlang genoten mestkevers en buurtkatten van het spoor van pruimenmoes dat hij op de stoep achterliet. In Sergej’s avondwinkel, waar ik voor Papa zijn dagelijkse fles Smirnoff haalde, – zo laat mogelijk om de kans dezelfde avond aan de fles wodka te beginnen zo klein mogelijk te maken, maar op tijd om de volgende dag op weg naar het einde in stijl te beginnen –  flirtte winkelierster Olga met mij door  me met haar sluike ogen aan te blijven staren. De kopeken wisselgeld liet ze stuk voor stuk langzaam in mijn handpalm vallen. Eerst wist ik niet wat me overkwam, later vond ik het wel aangenaam.  Toen ik Olga en buurvrouw Clavdia de week daarop tongzoenend aantrof in het kolenhokje tussen onze datsja en de drankzaak, was ik een beetje teleurgesteld. Ik had niet gedacht dat ze een sletterig type was. Ik dacht dat ze mij leuk vond. Pas enkele jaren later durfde ik dit met mijn vriendin blonde Sasja te bespreken.

‘Je moet van de liefde je beroep maken,’ zei ze, ‘ik denk dat jij er talent voor hebt. Jij bent een sterke erotische magneet, daarom wil iedereen met je naar bed. Vanuit kapitalistisch oogpunt gezien is het verstandig hiermee dóór te gaan.’ ‘Maar ik droom van een sterke man in mijn bed. Een lieve man, die alles voor me doet en met wie ik kinderen krijg,’ zei ik.  ‘Maak het zelf maar uit, het is jouw leven. Mag ik je een goed advies geven? Vergeet de liefde, wees redelijk,’ antwoordde Sasja. Ze is nogal kort van stof, Sasja. Ondertussen bleven de vreemdste liefdesbetuigingen me ten deel vallen. Midden in een winterse nacht belde een liefdesdolle idioot aan om mij een serenade te brengen. In mijn nachthemdje stond ik te rillen in de Siberische kou met een meneer, die ik niet kende. Met verkleumde vingers bespeelde de man een balalaika. Gelukkig kwam Mama op tijd naar beneden, en gooide de deur in het slot. Ik lag de hele nacht wakker. Dit kon zo niet verder! Er moest iets gebeuren, maar wat? Met Valentijndag was de brievenbus te klein voor alle post, maar ik werd er alleen maar wanhopig van. Ik wilde iets anders, maar wat dan? Opsluiting in een Russisch orthodox klooster, verbanning naar een ouderwetse goelag? Als ik in de spiegel keek, zag ik een mooie jonge vrouw, die zich van binnen dor en treurig voelde en nog een laagje dieper laaide een enorm liefdesvuur. Een matroesjka met drie verschillende gezichten. Bij de 1 mei viering applaudisseerde  ik voor de toespraak van onze burgemeester, toen drie zatte kameraden mij in mijn kont knepen. Ik gaf hen een flinke klap, en zij gaapten mij aan als kleuters voor een snoepkraam. Nu weet ik wel dat mijn borsten zo rond zijn als de gesuikerde appelen uit de Kaukasus, dat mijn ogen als oplaaiende vuren in de steppe branden en dat mijn decolleté voordelig uit komt in het kanten bloesje dat tantetje Valentina voor mij meebracht van haar reis naar Vlaanderen, maar er zijn grenzen.

Daarom heb ik mijn besluit genomen. Ik ben naar de rosse buurt gegaan, en heb een kleine hoerenkast gehuurd. Kopen kan altijd nog, op de lange termijn schijn je daar voordeliger mee uit te zijn. Nu doe ik goede zaken. De mannen zijn verrukt van mijn roomwitte zachte lichaam. Eén van hen vergelijkt mij met een spartelende beluga. Ach, die mannen, ze branden van verlangen en ik, ik laat ze begaan. Als ze gekregen hebben waar ze voor gekomen zijn, lopen ze fier en rechtop weer op huis aan. Zo lang het duurt kunnen ze het leven weer aan. Ik ben tevreden, want ik doe goed werk, en de kassa rinkelt. Misschien breid ik mijn handel nog uit met vrouwen. Soms denk ik terug aan Jascha, Pavel en Vladimir, die nu achter de kinderwagen lopen en dan zie ik voor me hoe ze om mij vochten. Om de stille ochtenden te vullen ben ik een postzegelverzameling begonnen. De zegels met exotische vogels uit Indonesië geven me vleugels, Marianne verklaart zich op de Franse zegels solidair met mij en de Belgische koning Boudewijn knipoogt toegeeflijk naar me vanachter zijn brillenglazen. Op een goede dag, als ik rijk ben geworden door te doen wat ik doe, ga ik vogels kijken in Indonesië, panters temmen in Ivoorkust, sigaren roken in Cuba en Marianne in Frankrijk vragen hoe het met de vrijheid zit.

 

 

 

 

 

Alles kan kapot

De intercity van Tilburg naar Den Haag maandagochtend, 7.25 uur, zit vol werkmensen met strakke gezichten en studenten die hun studie serieus nemen. Gelukkig vind ik een plaatsje in de ruimte tussen twee coupés in, maar veel reizigers moeten staan. Vóór mij staan twee blonde jonge mensen, zij met halflang haar, een strakke spijkerbroek en een parkajasje tot op de heupen. Haar wangen zijn als bellefleuren. Laarsjes van de Schoenenreus. Hij is groot en blond en schattig, net als zij. Blauwe spijkerbroek, niks bijzonders qua kleding. Ze praten meteen honderd uit. Zij studeert in Rotterdam pedagogiek, hij doet iets in Delft. Hun lichaamstaal is zo op elkaar gericht, dat mijn aandacht gewekt is. Ja, hij is lid van DSC, het Delfts Studenten Corps. En ja, zij hockeyt, natuurlijk, hij ook. Haar blik met de blozende appels stuurt ze even weg naar buiten, waar de koeien traag door het laagland van het Groene Hart gaan, met die open vriendelijke, bijna nog kinderogen, om weer naar hem te kijken en hem aan te spreken over zijn huisgenootjes, over het weekend, over de stad. Alles wil ze weten en met de houvast paal tussen hen in brengen ze hun dansje ten uitvoer, zo totaal gaan ze in elkaar op. Ik zit achter mijn zaterdagkatern de voorstelling gade te slaan en hoor al de bellen die rinkelen wanneer zij gaan trouwen, deze twee lieve burgerkinderen die ongetwijfeld gaan zorgen voor kroost, minstens drie in een bakfiets. De maandagochtend vrolijkt op tot een wei in mei, waar deze twee blonde kinderen naakt doorheen huppelen, met de nieuwsgierige koeien achter zich aan als domme bruidsmeisjes. Opeens valt er een stilte, en de trein remt langzaam voor Rotterdam. ‘Zullen we een keertje iets gaan drinken in Rotterdam?’ zegt de vrolijke jongen. ‘Zou ik graag doen,’ zegt zij, ‘maar ik heb een vriend.’ ‘Nou ja,’ zegt hij, o zo grootmoedig, ‘jammer dan, maar leuk voor jou, en voor je vriend.’ Hij doet luchtig over zijn blauwtje. ‘Alles kan kapot,’ zegt zij, hoogrood inmiddels. Stiekem vindt zij hem natuurlijk keileuk, al is het maar voor een reisje met de trein. Hij is de held van mijn dag. Ik zou het hem niet nadoen zo maar in een volle bordes iemand uit te nodigen voor een eerste afspraakje. Zij stapt uit en hij duikt snel de coupé in en gaat daar even zitten bijkomen. ‘Alles kan kapot,’ herhaal ik stil voor mezelf. Zette zij de deur toch op een kiertje? Mijn zoon van 32 vindt er dit van: ‘Jonge meiden die een relatie hebben durven opener te zijn tegen een jongen dan meiden die vrijgezel zijn.’ Denken ze stiekem dat de prins hen toch komt redden?